Kun je je vragen leven? Een persoonlijke lezing van Hongerig Verlangen
Jaren geleden, midden in mijn Amerikaanse avontuur, de eerste grote stap in mijn zoektocht naar mezelf, liftte ik naar een indianenreservaat. Ik had al veel geschreven over inheemse Amerikanen en zelfs een boek samengesteld met hun uitspraken en wijsheden. Door het eeuwenlange onrecht dat hun was aangedaan, voelde ik vanuit mijn eigen innerlijke geschiedenis een zekere nabijheid tot hen. Ik meende hun pijn van een afstand te herkennen, misschien zelfs enigszins te begrijpen.
Maar toen ik daar aankwam, werd ik als witte man beslist niet aanvaard.
Niemand beantwoordde mijn groet. In een café dat door mensen uit de gemeenschap werd gerund, bestelde ik koffie. Pas na lange tijd werd die koud voor me neergezet. Niemand sprak de woorden hardop uit, maar elke blik en elk gebaar droeg dezelfde boodschap: Jij bent hier niet welkom.
Soms ontdekt een mens op pijnlijke wijze dat de verwantschap die hij in zijn gedachten heeft opgebouwd, in de werkelijkheid geen enkele betekenis hoeft te hebben. Er gaapt een diepe kloof tussen het proberen te begrijpen van het lijden van een volk en het door datzelfde volk gezien worden als een van de gezichten van zijn geschiedenis.
Die dag was ik een vreemdeling tussen mensen met wie ik mij juist verbonden had gevoeld.
Ik keerde terug naar de weg en stak opnieuw mijn duim op. Na enige tijd stopte er een grote vrachtwagen. De chauffeur leek, met zijn leren jack en grote opdrukken, zo uit een heavymetalband te zijn gestapt. De cabine hing vol posters en versieringen en droeg overal de sporen van rockmuziek. Het voelde alsof ik in een rijdend miniatuurconcert van Metallica was beland.
Met mijn gebrekkige Engels probeerde ik hem te vertellen over mijn teleurstelling. Hij luisterde. Daarna zei hij, alsof hij mij wilde troosten, iets wat ik vele jaren later nog altijd niet ben vergeten: ‘Soms vind je wat je zoekt juist op plaatsen waar je niet zoekt. Laat het los. Blijf gewoon zoeken.’
Ik vertelde hem dat ik uit Turkije kwam, dat ik mijn eigen weg probeerde te volgen en dat ik mijn leven opnieuw betekenis wilde geven. Toen hij vroeg waar ik naartoe ging, antwoordde ik: ‘Dat maakt niet uit. Je kunt me achterlaten waar het jou uitkomt.’
Na een tijdje vroeg hij:
‘Zou je drie of vier kilometer willen lopen?’
‘Waarheen?’
‘Naar een heel bijzondere plek. Ik wil graag dat je die ziet.’
Ik stemde toe.
Enkele uren later zette hij me af op een verlaten plek in de bergen. De dag begon langzaam naar de avond te kantelen en ik voelde enige onrust opkomen. Hij wees naar een weg en zei dat ik gewoon rechtdoor moest lopen. Na verloop van tijd zou ik vanzelf geluiden horen.
Dus begon ik te lopen.
Na enige tijd hoorde ik in de verte trommels, gelach en het geroezemoes van mensen. Eerst kon ik niet plaatsen wat ik hoorde. Naarmate ik dichterbij kwam, zag ik een grote groep mensen, voornamelijk zwarte Amerikanen. Er werd op trommels gespeeld, in grote ketels werd eten bereid en rondom de vuren ontmoetten mensen elkaar in muziek, ritme en beweging.
Het was alsof ik midden in de bergen door een onzichtbare poort een andere wereld was binnengegaan.
Terwijl ik verbaasd om me heen keek, wenkte een man in de kleding van een soefiderwisj mij vanuit een hoek. Hij moet het woord ‘Mavi’ op mijn T-shirt hebben gezien.
‘Hé, Mavi Turk, kom hier!’ riep hij.
Op slag voelde ik een onverwachte vreugde. Na lange tijd ontmoette ik iemand met wie ik mijn eigen taal kon spreken.
Hij bood me eten aan en vertelde vervolgens zijn verhaal. Een tijdlang had hij op straat geleefd in Amerika. Later was hij op Cyprus leerling geworden van een soefisjeik. Daarna was hij teruggekeerd naar de Verenigde Staten, waar hij met muziektherapie mensen van de straat probeerde terug te brengen naar het leven.
Wat ik daar zag, maakte diepe indruk op mij.
Ik bleef er enkele dagen. ’s Nachts praatten we urenlang. Of beter gezegd: ik bleef vragen en hij bleef geduldig antwoorden.
Ik had zo’n honger.
Niet naar eten, maar naar kennis, betekenis, begrip en begrepen worden. Ik hunkerde naar het geheim van het leven en naar een antwoord op de vraag wie ik zelf was.
In de nacht voor mijn vertrek keek hij me aan en vroeg:
‘Adem, waarom stel je zoveel vragen?’
‘Omdat ik de antwoorden zoek,’ zei ik.
Hij zweeg even.
‘Als je de vraag hebt, is het antwoord er ook,’ zei hij. ‘Je zult de antwoorden op je vragen nooit buiten jezelf vinden. Je zult ze in jezelf vinden, op je eigen weg.’
Destijds begreep ik zijn woorden niet volledig. Maar later in mijn leven keerden ze steeds opnieuw terug, als een vuurtoren in een stormachtige zee.
Ja, ik droeg grote vragen in mij.
Vragen over het leven, over mezelf, over mijn bestaan, over de reden waarom een mens leeft en over de wijze waarop een leven betekenis kan krijgen.
Maar wat ik ook deed, waarheen ik ook reisde, hoeveel ik ook las of welke opleidingen ik ook volgde, nooit vond ik een antwoord dat mij werkelijk verzadigde. Elk antwoord waarvan ik dacht dat het de grote leegte in mij zou vullen, bleek vroeg of laat gebrekkig en onvolledig.
Misschien waren die antwoorden niet onjuist.
Misschien waren ze alleen niet van mij.
Jaren later begon in Nederland een nieuw hoofdstuk. Mijn leven veranderde ingrijpend. Ik moest veel achterlaten en bijna vanuit het niets een nieuwe weg voor mezelf opbouwen.
Precies in die periode kwam Hongerig Verlangen op mijn pad.
Mijn collega uitgever, de dierbare Ayşe, zei tegen mij: ‘Dit boek is belangrijk. Je moet het lezen.’
Omdat zij dat niet eerder op deze manier over een boek had gezegd, nam ik haar woorden ernstig. Ik las het van de eerste regel tot de laatste pagina, bladzijde na bladzijde.
En op bijna iedere pagina kwam ik iets van mezelf tegen.
Want dit boek gaat niet alleen over anorexia, het lichaam, relaties of het verleden. Het boek dat ik las, gaat over existentiële pijn. Over de zoektocht van een mens naar zichzelf. Over het verlangen een werkelijke plaats in het eigen leven te vinden en over de prijs die daarvoor soms betaald wordt.
De auteur schrijft over haar persoonlijke weg met een grote openheid. Zij verbergt haar donkere kanten niet en verzacht haar zinnen niet om beminnelijker gevonden te worden. Haar woede, haar verlangen, haar lichaam, haar schaamte en haar vervreemding legt zij met dezelfde eerlijkheid voor de lezer neer.
Aan het begin van het boek schrijft zij over schrijven als een manier om haar eigen waarheid vorm te geven en zichzelf bijeen te houden. Wanneer zij zegt dat alles zijn eigen plaats en tijd heeft in waarachtigheid, lijkt zij de delen die een mens gedurende zijn leven heeft verstoten opnieuw naast elkaar te leggen.
Descartes zei: ‘Ik denk, dus ik ben.’
Zelf heb ik jarenlang in de tegenovergestelde richting geleefd:
Om te kunnen denken, moet ik eerst bestaan.
Maar hoe kan ik werkelijk bestaan?
Een mens wordt biologisch geboren, maar dat betekent nog niet dat hij ook innerlijk tot bestaan komt. Soms brengt iemand een heel leven door met de poging ook innerlijk geboren te worden in een leven waarin hij lichamelijk al lang aanwezig is.
Mijn eigen leven bestond voor een groot deel uit vragen.
Wie ben ik?
Waarom ben ik hier?
Is het leven dat mij wordt voorgehouden werkelijk mijn leven?
Heb ik zelf gekozen wat ik meen gekozen te hebben?
Leeft een mens om zichzelf te worden, of om te veranderen in wat anderen van hem verwachten?
Hongerig Verlangen geeft op deze vragen geen kant-en-klare antwoorden.
Juist daarin ligt voor mij de waarde van dit boek.
De auteur herinnert aan die wezenlijke vraag die aan Rilke wordt toegeschreven:
‘Kun je je vragen leven?’
Daarna nodigt zij de lezer uit tot een andere gedachte: misschien bestaan er geen definitieve antwoorden op de werkelijke levensvragen. Misschien hebben wij juist vragen nodig om te kunnen blijven leven. Zodat ons verlangen altijd iets overhoudt om naar te verlangen.
Dit boek geeft niet zozeer antwoorden, maar vergroot de vragen.
Wanneer je je eigen vragen al bezit, verdiept het ze. Wanneer je ze nog niet hebt, maakt het in je hart en in je denken ruimte waarin zij kunnen ontstaan.
Terwijl ik las, gaf het mij rust te weten dat er ergens op deze wereld een leven was geleefd vanuit dezelfde existentiële onrust die ik, net als vermoedelijk vele anderen, ken.
Want wie het recht opeist om werkelijk te bestaan, moet soms ook bereid zijn alleen te komen staan.
Je familie begrijpt die weg misschien niet.
Je vrienden, je partner en zelfs je kinderen keuren hem misschien niet goed.
Mensen verhouden zich immers vaak niet tot wie je werkelijk bent, maar tot wie je volgens hen zou moeten zijn. Zodra je uit die rol stapt, verander je niet alleen jezelf. Je verstoort ook de wereld die anderen mede rond jouw rol hebben opgebouwd.
Van jongs af aan werd tegen mij gezegd dat ik introvert en gesloten was.
Maar ik was niet in mezelf opgesloten.
Ik stond juist open naar binnen.
In mij waren oceanen.
Er waren bergen, sterren en een eindeloze hemel.
Alleen kon ik die wereld aan niemand uitleggen.
Misschien dragen sommige kinderen die van buiten zwijgzaam lijken van binnen een volledig universum. Hun stilte betekent niet dat zij niets te zeggen hebben. Soms hebben zij alleen nog geen taal gevonden die hun wereld kan dragen, of geen mens die werkelijk in staat is te luisteren.
Ook in de wereld van de auteur bestaat voortdurend een spanning tussen de rijkdom van het innerlijke leven en de beperktheid van de uiterlijke vorm. Wat ervaren wordt, is te groot, terwijl woorden te klein blijven.
Zij beschrijft hoe elk woord dat haar mond verlaat kan voelen als een verloochening van een innerlijke rijkdom die zich nooit volledig laat vertalen.
Misschien was dit een van de redenen waarom het boek mij zo nabij kwam: de afstand tussen de omvang van wat een mens beleeft en de ontoereikendheid van de woorden waarmee hij dat probeert uit te drukken.
Met haar lichaam, haar gevoelens en haar levenskeuzes lijkt de auteur telkens opnieuw één vraag te stellen: Waarom besta ik, en wie ben ik?
Op het eerste gezicht lijkt dat een vraag voor de filosofie. Maar in werkelijkheid is het een vraag van het leven zelf.
Want pas wanneer een mens deze vraag werkelijk raakt, kan hij veranderen van een wezen dat voornamelijk door gewoonten en verwachtingen wordt voortbewogen in een mens die werkelijk leeft.
Een van de aangrijpende lijnen in het boek is de wijze waarop de auteur haar innerlijke honger en haar verhouding tot eten en haar lichaam beschrijft. Anorexia verschijnt daarbij niet uitsluitend als een kwestie van voedsel, maar ook als een poging grip te krijgen op een wereld die innerlijk ongrijpbaar voelt. Als verzet tegen de mal waarin iemand geacht wordt te passen. Als een lichamelijke uitdrukking van pijn waarvoor woorden soms ontbreken.
Maar sommige mechanismen die ooit ontstaan om ons te beschermen, kunnen later ons leven gaan beheersen.
Sommige persoonlijke passages in het boek brachten mij opnieuw bij de gedachte dat de belangrijkste gebeurtenissen in ons leven soms ontstaan uit de meest ongeplande, ongewenste en ogenschijnlijk onbetekenende momenten.
De mens wil van zijn leven een volmaakt plan maken.
Hij wil op het juiste moment de juiste persoon ontmoeten, op de juiste plaats de juiste beslissing nemen, eerst gereed zijn en pas daarna werkelijk leven.
Maar zo werkt het leven zelden.
Soms vinden wij wat we zoeken, zoals de vrachtwagenchauffeur mij jaren geleden vertelde, juist op plaatsen waar wij niet zoeken.
Soms komen wij pas voor het eerst dichter bij onze werkelijke weg nadat wij verdwaald zijn.
Soms opent een ontmoeting die wij nooit hadden voorzien de deur naar een antwoord waarnaar wij jarenlang hebben gezocht.
Ook de gedachte van de auteur dat het voortdurende streven naar een beter leven, een beter mens en een betere versie van onszelf kan uitgroeien tot een vorm van psychisch geweld, raakte aan een inzicht waartoe ik zelf de laatste tijd steeds vaker kom.
De zin ‘Je moet beter worden’ klinkt op het eerste gehoor hoopvol.
Maar verborgen in die zin bevindt zich ook de boodschap dat wie je nu bent niet voldoende is.
Zo houdt een mens op te leven en begint hij zichzelf eindeloos te corrigeren. Het leven verandert van een ervaring in een onafgebroken restauratieproject.
Succesvoller.
Sterker.
Bewuster.
Gezonder.
Rustiger.
Maar wanneer zal een mens zichzelf werkelijk leven, als hij voortdurend bezig is in iemand anders te veranderen?
Misschien gaat het er niet om een betere versie van onszelf te worden.
Misschien gaat het erom naast de versie van onszelf te kunnen zitten waarvoor wij altijd zijn gevlucht.
Onszelf zien voordat wij ons veranderen.
Luisteren voordat wij oordelen.
Begrijpen voordat wij proberen iets in ons uit te wissen.
Tijdens het lezen werd ik soms kwaad. Soms voelde ik mij machteloos, soms verheugd en soms was ik het met de auteur volstrekt oneens.
Maar een goed boek is ook geen boek dat de lezer uitsluitend bevestigt.
Een goed boek opent verschillende deuren in een mens.
Achter de ene deur verschijnt je kindertijd.
Achter een andere je jarenlang onderdrukte woede.
En soms staat daar een eenzaamheid waarvan je dacht dat je haar allang had achtergelaten.
Cahit Zarifoğlu schreef een versregel die mij zeer dierbaar is:
‘Mijn broeder, wil je ook de broeder van mijn pijn zijn?’
Misschien blijft, wanneer wij alles terzijde schuiven, psychologie, sociologie, diagnoses en al onze grote verklaringen, alleen dit over: de mogelijkheid om de pijn van een ander nabij te zijn.
Niet om hem te redden.
Niet om hem te vertellen wat hij moet doen.
Niet om zijn pijn onmiddellijk te verklaren of hem kant-en-klare antwoorden te geven.
Maar eenvoudigweg om enige tijd naast hem te blijven zitten.
Zonder bang te worden voor zijn duisternis.
Zonder hem naar het licht te dwingen.
Alleen om te kunnen zeggen: Ik ben hier.
Misschien bevindt zich precies daar een van de meest betekenisvolle plaatsen van het leven.
Hongerig Verlangen deed mij beseffen dat wanneer een mens zijn pijn openlijk beschrijft, dit niet uitsluitend een persoonlijke bekentenis is. Soms opent iemand, door zijn eigen wond zichtbaar te maken, een klein raam in de eenzaamheid van een ander.
Hij zegt:
‘Jij bent niet de enige die dit heeft doorleefd.’
‘Ik ben hier ook geweest.’
‘Misschien niet op dezelfde weg, maar ook ik ken de duisternis.’
De auteur schrijft dat mensen hun antwoorden voortdurend bij anderen zoeken, terwijl ieder mens uiteindelijk zelf zijn onderzoek moet verrichten.
De kennis en ervaring van anderen kunnen waardevol zijn, maar niemand kan zijn eigen weg afleggen met de antwoorden van een ander.
Ik hoorde dit jaren geleden van die soefi in de bergen.
Vele jaren later kwam dezelfde waarheid opnieuw naar mij toe, nu tussen de bladzijden van een boek.
Wij vinden de antwoorden op onze vragen niet eenvoudigweg buiten onszelf.
Maar mensen, boeken, wegen en ontmoetingen kunnen wel aanraken wat reeds in ons aanwezig is.
Zij geven ons misschien niet het antwoord, maar herinneren ons eraan in welke richting wij moeten kijken.
Misschien is dat de werkelijke kracht van boeken.
Zij schenken ons geen nieuw leven, maar helpen ons het leven dat wij al leiden met andere ogen te zien.
Zij geven niet alle antwoorden, maar maken het mogelijk de stem van onze eigen vragen opnieuw te horen.
Op de vraag of het leven de moeite waard is om geleefd te worden, antwoordt de auteur uiteindelijk met ja, omdat zij in de beweging van zoeken en vinden een vorm van vervulling ervaart.
Toen ik het boek had uitgelezen, voelde ik niet zozeer hoop omdat het antwoord gevonden zou zijn.
Ik voelde hoop omdat de vraag nog leefde.
Want zolang een mens nog kan vragen, leeft hij.
Vandaag geloof ik dat sommige antwoorden die wij tijdens ons leven niet konden vinden ons misschien pas veel later duidelijk worden.
En wanneer dat gebeurt, ontdekken wij wellicht dat zij nooit werkelijk van buitenaf zijn gekomen.
Wij zullen zien dat wij die antwoorden gedurende ons hele leven al hebben geleefd.
In iedere ontmoeting.
In ieder afscheid.
In ieder verlies.
Op iedere verkeerde weg.
En in ieder nieuw begin.
Misschien is het antwoord geen enkele zin die uiteindelijk uitgesproken wordt.
Misschien is het antwoord de gehele weg die wij hebben afgelegd.
De bergweg in Amerika.
De stilte van de mensen die mij afwezen.
De vrachtwagen vol rockmuziek.
De trommels rond het vuur.
De stem die mij ‘Mavi Turk’ noemde.
De nachten waarin ik vragen bleef stellen.
Mijn leven dat in Nederland opnieuw begon.
En het boek dat vele jaren later in mijn handen terechtkwam.
Misschien waren het allemaal, op het eerste gezicht, losstaande delen van hetzelfde antwoord.
Dit leven bestaat uit vragen.
Maar het draagt ook zijn antwoorden in zich.
En misschien is het niet onze taak om onmiddellijk een antwoord te vinden.
Misschien moeten wij leren onze vragen te leven.
Zonder ervoor weg te vluchten.
Zonder ze te beschadigen.
Zonder ze het zwijgen op te leggen.
Onze vragen werkelijk leven…
Totdat wij op een dag begrijpen dat datgene waarnaar wij al die tijd zochten, de hele weg naast ons heeft gelopen.
Adem Ozbay
Auteur en uitgever






Opmerkingen